Wanneer kan er sprake zijn van belangenverstrengeling?

Belangenverstrengeling moet te allen tijde voorkomen worden bij een aanbestedingsprocedure. Niet voor niets is in artikel 1.10b, lid 1, Aw 2012 opgenomen dat een aanbestedende dienst passende maatregelen neemt om een belangenconflict te voorkomen. Regelmatig komt het voor dat (meestal verliezende) inschrijvers aangeven dat er sprake zou kunnen zijn geweest van een belangenconflict en dat een of meerdere (vaak de winnende) inschrijvers uitgesloten hadden moeten worden of dat er een heraanbesteding moet komen. Pas als de klagende inschrijvers voldoende objectieve gegevens aandragen op basis waarvan er sprake zou kunnen zijn van een (mogelijke) belangenverstrengeling, ontstaat er een onderzoeksplicht voor de aanbestedende dienst. Dat is vaste rechtspraak van het Hof van Justitie. Maar wat voor omstandigheden kunnen nu een belangenverstrengeling opleveren? Daar moest de rechtbank Amsterdam zich over buigen in een recente uitspraak.

Wat speelde er precies?

De gemeente Amsterdam was in oktober 2022 een Europese niet-openbare aanbestedingsprocedure gestart voor parkeerdiensten. De looptijd van de opdracht was acht jaar en de geschatte waarde kwam uit op € 275 miljoen. Egis Parking Services (EPS) en onder andere Q-Park hadden een inschrijving op de aanbesteding ingediend. Uiteindelijk was de gemeente voornemens om de opdracht te gunnen aan Q-Park. EPS kan zich hiermee niet verenigen en besluit te klagen. Haar voornaamste argument is dat twee medewerkers van de aanbestedende dienst, dan wel de beoordelingscommissie, een belangenconflict hadden. Medewerker A zou namelijk vanuit het verleden nauwe banden hebben gehad met Q-Park en medewerker B zou na inschrijving op excursie zijn geweest naar een vestiging van Q-Park. De gemeente wijst deze bezwaren van de hand en partijen belanden bij de voorzieningenrechter.

Ook de voorzieningenrechter gaat niet mee in het betoog van EPS. Volgens de voorzieningenrechter moet het gaan om objectieve gegevens waaruit een belangenconflict zou kunnen voortvloeien. Het feit dat medewerker A in het verre verleden (ruim 11 jaar terug) werkzaam was bij Q-Park, dat zij bij een andere werkgever zou hebben samengewerkt met een directeur van een bedrijf dat later is overgenomen door Q-Park, dat zij mogelijk uit een automotive/parkeer familie zou komen en dat zij vriendschappelijke banden zou hebben met personeel van Q-Park, is allemaal dan wel niet-objectief, dan wel dusdanig lang geleden, dan wel dermate vaag dat er geen objectief risico op belangenverstrengeling aannemelijk is geworden. Koppel daaraan volgens de voorzieningenrechter dat de scores van medewerker A niet afwijken van de scores van de overige beoordelaars, dan ontstaat niet een beeld dat medewerker A partijdig zou zijn geweest.

De voorzieningenrechter beoordeelt vervolgens het argument van de excursie van medewerker B. Vast komt te staan dat medewerker B enkel het gunningsvoornemen in mandaat heeft ondertekend en dat hij niet betrokken is geweest bij de inhoudelijke beoordelingen. Verder stond de excursie in het teken van kennisdeling en zijn geen van de onderwerpen die raakvlak zouden kunnen hebben met de aanbesteding/opdracht aan bod gekomen tijdens de excursie. Het initiatief voor deze bijeenkomst kwam van de gemeente, meer in het bijzonder de afdeling straat parkeren. Die afdeling had geen bemoeienis met de onderhavige aanbesteding. Alles duidt er volgens de voorzieningenrechter op dat er geen objectieve aanwijzingen voor belangenverstrengeling zijn. De voorzieningenrechter wijst daarom de vorderingen van EPS af.

Deze uitspraak laat duidelijk zien dat wil een verliezende inschrijver succesvol willen klagen over een mogelijke belangenverstrengeling, deze inschrijver met objectieve gegevens moet komen. Die objectieve gegevens moeten met bewijzen worden gestaafd en moeten betrekking hebben op recente en relevante omstandigheden die een invloed kunnen hebben bij de beoordeling. Het mogelijk zijn van vrienden of in het verre verleden hebben gewerkt bij of samen hebben gewerkt met de winnende inschrijver, zijn geen objectieve aanwijzingen voor het bestaan van een belangenconflict. Zoals artikel 1.10b, lid 2, Aw 2012 al terecht aangeeft, moet het gaan om (in)directe belangen die hun onpartijdigheid of onafhankelijkheid in de procedure kunnen schaden. Het moet dus gaan – zo leid ik af uit deze uitspraak – om belangen die ten tijde van de aanbesteding nog steeds spelen of zeer recentelijk hebben gespeeld. Belangen uit het verleden zijn dan minder of niet relevant.


Geplaatst

in

door

Tags:

Reacties

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *