Wanneer is een alternatief bewijsmiddel voldoende gelijkwaardig aan het gevraagde?

Wanneer een aanbestedende dienst verwijst naar een specifiek certificaat, product of merk, dan moet de aanbestedende dienst toevoegen “of gelijkwaardig”. Maar wanneer is iets gelijkwaardig en hoe bewijs je dat? Voor die vraag zag de Rechtbank Midden-Nederland zich geplaatst in een recent gepubliceerde uitspraak. Kort gezegd oordeelde de Rechtbank dat er pas sprake is van gelijkwaardigheid als het aangeboden alternatief voldoet aan alle achterliggende eisen.

Wat speelde er precies?

De gemeente Noordoostpolder had een aanbesteding georganiseerd voor het reinigen en inspecteren van de hoofdriolering in de gemeente. Als geschiktheidseis had de gemeente gesteld dat de inschrijver diende te beschikken over een gecertificeerd milieumanagementsysteem op basis van ISO14001 of gelijkwaardig. De klagende onderneming had ingeschreven en had de opdracht voorlopig gegund gekregen. De gemeente vroeg vervolgens de bewijsstukken op bij haar. Bij controle van deze bewijsstukken bleek dat het milieumanagementsysteem naar de mening van de gemeente niet gelijkwaardig was. De klagende onderneming had namelijk een brief van TÜV Rheinland Nederland overgelegd waarin stond dat de onderneming bezig was met het certificeringstraject en dat het onderzoeksrapport nu ter internationale validering voorlag. De gemeente sluit de inschrijving van de klagende onderneming alsnog uit, want de klagende onderneming beschikt niet over een gecertificeerd milieumanagementsysteem. De gemeente gunt de opdracht vervolgens aan de opvolgende inschrijver.

De klagende onderneming is het hier niet mee eens en start een kort geding. Haar argument is dat de brief van TÜV gelijkwaardig is aan het gevraagde gecertificeerde milieumanagementsysteem. De rechtbank gaat hier niet in mee. De rechtbank stelt dat wil een alternatief bewijsmiddel gelijkwaardig zijn aan het gevraagde, dan moet dit alternatieve bewijsmiddel voldoen aan alle achterliggende eisen. 

Vervolgens bekijkt de rechtbank aan welke eisen het alternatieve bewijsmiddel moet voldoen. Een van die eisen was dat het moest gaan om een gecertificeerd milieumanagementsysteem. Uit de brief van TÜV blijkt echter dat het proces van certificering bij de klagende onderneming nog niet is afgerond. De klagende onderneming beschikt dus nog niet over een certificaat. Hoewel het certificeringsproces dus bezig is, beschikt de klagende onderneming op het moment van inschrijven dus niet over een gecertificeerd milieumanagementsysteem. De rechtbank meent daarom dat de brief van TÜV niet gelijk te stellen is aan een gecertificeerd milieumanagementsysteem.

Het belang van deze uitspraak zit hem in het gegeven dat de rechtbank duidelijk aangeeft dat wil een alternatief bewijsmiddel gelijkwaardig zijn aan het gevraagde, de inschrijver moet bewijzen dat het alternatieve bewijsmiddel voldoet aan alle gestelde eisen. Voldoet het alternatieve bewijsmiddel niet aan alle gestelde eisen, zoals in het onderhavige geval, dan is het aangeboden alternatief niet gelijkwaardig en voldoet de inschrijver niet aan de gestelde eisen. Alsdan is er maar een optie en dat is uitsluiting of terzijde legging van de betreffende inschrijving.


Geplaatst

in

door

Tags:

Reacties

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *