Schrijf je in met een gelijkwaardig kwaliteitssysteem, moet je aantonen dat het ook daadwerkelijk gelijkwaardig is

Wanneer een inschrijver niet tijdig over de vereiste certificering beschikt om te kunnen voldoen aan een gestelde geschiktheidseis en dat ligt niet aan de inschrijver, dan mag hij door middel van gelijkwaardige maatregelen aantonen alsnog te voldoen. De inschrijver dient dan in zijn inschrijving aantonen dat het daadwerkelijk gelijkwaardig is. Maar wat nu als hij dat bewijs niet kan leveren of het bewijs dat hij aanlevert, bij beoordeling onvoldoende blijkt? Voor die vraag zag de Rechtbank Den Haag zich gesteld in een recente uitspraak.

Wat speelde er precies?

Het Rijksvastgoedbedrijf (RVB) had een Europese openbare aanbestedingsprocedure georganiseerd voor onderhoud aan bedrijfsdeuren op defensielocaties. Als geschiktheidseis hanteerde het RVB voor het eerst voor dit soort werkzaamheden de eis dat de inschrijver diende te beschikken over een ISO:9001 certificaat. Naar aanleiding daarvan zijn er vragen gesteld over dit ISO:9001 certificaat. Daarom heeft het RVB besloten om ook gelijkwaardige bewijzen te accepteren op grond van artikel 2.96, lid 2, Aw 2012, mits uit deze gelijkwaardige bewijzen een actueel en daadwerkelijk geïmplementeerd kwaliteitsbewakingssysteem bleek met een actieve Plan Do Check Act (PDCA) cyclus. Deze gelijkwaardige bewijzen moesten vergezeld gaan van een verklaring van een onafhankelijke terzake deskundige derde.

Een onderneming schrijft in zonder ISO:9001 certificaat, maar biedt bewijzen aan van de gestelde gelijkwaardigheid van het eigen kwaliteitsbewakingssysteem. Het RVB beoordeelt deze gestelde gelijkwaardigheid en komt tot de conclusie dat het eigen systeem niet gelijkwaardig is aan de materiële normen van het ISO:9001 certificaat. Zo meent het RVB dat onvoldoende blijkt dat dit kwaliteitsbewakingssysteem is ingevoerd binnen de onderneming en dat onvoldoende blijkt dat de PDCA cyclus volledig is geïmplementeerd. Het RVB besluit daarom de inschrijving van de onderneming terzijde te leggen.

De onderneming is het hier niet mee eens en start een kort geding. Daarin is haar stelling onder andere dat haar eigen kwaliteitsbewakingssysteem gelijkwaardig is. De rechtbank gaat niet mee in deze stelling. De rechtbank focust zich daarbij in de eerste plaats op de PDCA cyclus. De rechtbank constateert dat voor een deel van de kwaliteitseisen (zoals nieuwe deuren, nazorg en klanttevredenheid) er geen dan wel onvoldoende aandacht is voor de Check en Act. Deze onderdelen zijn verplichte onderdelen van de materiële normen die ten grondslag liggen aan ISO:9001. Nu deze onderdelen ontbreken of onvoldoende aanwezig zijn, komt de rechtbank tot de conclusie dat er geen/onvoldoende bewijs van gelijkwaardigheid is geleverd door de inschrijver. Het RVB heeft daarom de inschrijving van de onderneming terecht terzijde gelegd.

Het belang van deze uitspraak zit hem in de wijze waarop de rechtbank de bewijslast verdeelt. Als je met het vereiste certificaat inschrijft, is er niets aan de hand. Als je met een gelijkwaardig systeem inschrijft, dan dient de inschrijver te bewijzen dat het systeem daadwerkelijk gelijkwaardig is. Als de aanbestedende dienst dan in de aanbestedingsstukken heeft geformuleerd waaraan het systeem minimaal moet voldoen, dan dien je als inschrijver heel duidelijk aan te tonen op welke wijze het alternatieve systeem voldoet aan deze minimumeisen. Slaag je als inschrijver niet in deze bewijslast, dan zal je inschrijving terzijde gelegd moeten worden.


Geplaatst

in

door

Tags:

Reacties

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *