In een vorige blog heb ik al geschreven over hoe je een beslissing tot intrekking moet motiveren en wat er gebeurd als deze motivering geen stand houdt. Naar aanleiding van het vonnis van de Voorzieningenrechter hebben de gemeenten andermaal besloten om de aanbestedingsprocedure in te trekken. Andermaal strandt de motivering bij de Rechtbank. De vraag waar de Rechtbank Midden-Nederland zich vervolgens in haar recente uitspraak voor gesteld zag, was hoe veel kansen een aanbestedende dienst moet krijgen om haar huiswerk goed te doen?
Wat speelde er precies?
Naar aanleiding van het eerste vonnis van de rechtbank hebben de gemeenten Woerden en Oudewater twee maanden de tijd genomen om een nieuwe beslissing te nemen hoe ze nu met de aanbestedingsprocedure verder moesten. Andermaal – zoals ik al verwachtte – hebben zij de beslissing genomen de aanbestedingsprocedure in te trekken. Ditmaal leggen zij een drietal argumenten aan deze intrekking ten grondslag, namelijk de inschrijving van KVDM overschrijdt het budget, de aanbestedingsprocedure was onduidelijk en de behoeften van de gemeenten zijn na het publiceren van de aanbesteding gewijzigd. KVDM is het andermaal niet eens met deze intrekking en start een kort geding.
De rechter fileert vervolgens de motivering van de gemeenten. In de eerste plaats overschreed de inschrijving van KVDM helemaal het budget van de gemeente niet. De prijs van KVDM was op twee jaar gebaseerd, terwijl de gemeente uitging van een jaarsbudget. Als de prijs van KVDM gecorrigeerd wordt naar een prijs per jaar, dan ligt haar prijs ruim onder het budget van de gemeenten.
In de tweede plaats waren de aanbestedingsdocumenten in zijn geheel niet onduidelijk. Zoals de gemeenten ter zitting hebben moeten erkennen, hebben alle inschrijvers de aanbestedingsstukken op dezelfde manier uitgelegd. Daardoor kleefde er geen transparantiegebrek aan de stukken. Dat wellicht de intenties van de gemeenten anders was, maakt dat niet anders. Intenties die niet duidelijk zijn uit de stukken, kunnen in de beoordeling geen rol spelen. Intrekking zou dan enkel dienen om een eigen vergissing goed te maken.
In de derde plaats wilden de gemeenten de aanbestedingsprocedure niet wijzigen vanwege nieuwe en veranderde behoeften. De beide omstandigheden die de gemeenten namelijk aanvoerden, waren geen nieuwe omstandigheden. De beide omstandigheden waren al – versimpeld weergegeven – ruime tijd bekend voorafgaand aan de publicatie van de aanbesteding of bleken achteraf niet zo te zijn.
Kortom, de redenen voor de intrekking houden andermaal geen stand. Daarmee is de maat voor de rechtbank vol. Gegeven de onderhavige omstandigheden komt de rechtbank tot de conclusie dat de gemeenten voldoende kansen hebben gehad om de intrekking van de aanbesteding goed en draagkrachtig te motiveren. Nu zij tot tweemaal toe daarin niet zijn geslaagd, betekent dat volgens de rechtbank dat de gemeenten op grond van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur – het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel – thans geen andere keuze meer hebben dan de opdracht te gunnen aan KVDM of het werk in zijn geheel niet te laten uitvoeren. De rechtbank wijst een verbod tot intrekking en een gebod tot voorlopige gunning van de opdracht aan KVDM toe.
Het belang van deze uitspraak zit hem in de overwegingen die de rechtbank wijt aan de hoeveelheid mogelijkheden die een aanbestedende dienst heeft om een aanbesteding in te trekken. Een keer is het klaar, aldus de eisende advocaat en de rechtbank. De belangrijkste les om te leren uit deze uitspraak is daardoor dat als een aanbestedende dienst ervoor kiest om nogmaals tot intrekking van een aanbesteding over te gaan, het besluit tot intrekken nog beter gemotiveerd moet zijn, dan een eerste besluit tot intrekken. Ik vind dat niet meer dan terecht.
Echter, wil ik wel een kanttekening plaatsen bij deze uitspraak. Op basis van de feiten die ten grondslag liggen aan deze uitspraak, proef je heel goed tussen de regels door dat de rechtbank vindt dat de gemeenten hun huiswerk absoluut beroerd hebben gemaakt en dus zeer onzorgvuldig hebben gehandeld. De rechtbank fileert namelijk de standpunten van de gemeenten met termen zoals “niet plausibel”en “niet onderbouwde stelling”. Uit alles blijkt dat de rechtbank zwaar teleurgesteld was in de gemeenten en daarom tot de conclusie kwam dat de gemeenten niet nogmaals een kans hoorden te krijgen om hun huiswerk goed te doen.
Of in een andere aanbesteding waar een aanbestedende dienst ook voor een tweede keer tot intrekking over gaat een rechtbank tot eenzelfde conclusie zal komen, zal dus zeer sterk van de feiten afhangen. Wel meen ik dat in dergelijke gevallen een zwaardere motiveringsplicht rust op een aanbestedende dienst. Voldoet een aanbestedende dienst andermaal niet aan de op haar rustende motiveringsplicht, dan begrijp ik wel heel goed dat een rechtbank op een gegeven moment zegt “en nu is het genoeg.” Zo ook in het onderhavige geval. Uiteindelijk heeft KVDM – in tegenstelling tot mijn verwachting – dus toch ook de oorlog gewonnen.
Geef een reactie